Onderwijsmagazine

Goodbye: Dick Laning

Wie ben je, wat doe je?
‘Ik ben Dick Laning, 65 jaar en docent aan de opleiding Mediaredactiemedewerker van Landstede MBO. Ja, dat is een mond vol. Ik vind die naam ook wat ongelukkig gekozen, want de functie mediaredactiemedewerker bestaat in mijn ogen niet. Maar dat terzijde... Het is mijn tweede en tevens laatste jaar op school; het staartje van mijn loopbaan. Zo’n 35 jaar werkte ik in de journalistiek, voornamelijk bij regionale dagbladen. Ik heb alle denkbare functies gehad. Van verslaggever tot hoofdredacteur. Ja, ik kijk terug op een boeiende carrière. Als docent kan ik daar rijkelijk uit putten.

Naast mijn schoolwerk schrijf ik veel. Vorig jaar heb ik mijn debuutroman Wantij afgerond. Het manuscript is aangeboden bij meerdere uitgeverijen. Het is even afwachten, maar voor mij ligt er geen druk op. Op school geef ik drie dagen per week les. Ik behandel ethiek en religie, maar geef vooral ook schrijfgerelateerde vakken. Met studenten behandel ik de journalistieke genres en ik begeleid derdejaars bij het maken van een magazine. Ik heb ook de regiojournalistiek geïntroduceerd op school. Zodat studenten weten hoe dat werkt op een redactie. Hoe kies je uit alle mogelijke onderwerpen? Welke ingrediënten heb je nodig voor een mooie reportage?

Voordat ik bij de krant kwam, heb ik bijna tien jaar bij defensie gewerkt. Ik ben zelfs nog een jaar op missie geweest in Libanon. Een bijzondere levenservaring, ook al past de landmacht totaal niet bij mij. Ik was onderofficier en voerde uit wat mij werd opgelegd, terwijl ik juist zélf verantwoordelijk wilde zijn voor mijn hele doen en laten. Dat autonome denken en handelen past niet in die wereld. Op basis van gewetensbezwaren mocht ik uiteindelijk dienst verlaten en vanwege die grote eigen verantwoordelijkheid koos ik voor de journalistiek.

Ik ben getrouwd met Anneke en we hebben twee volwassen zoons. Ik sta graag in de keuken en heb in de tuin een grote steenoven waarin ik regelmatig pizza’s maak. Muziek is essentieel voor mij. Ik beluister veel, heb zelf gitaar gespeeld en voor de krant ook muziekvoorstellingen gerecenseerd. Je zou het bijna mijn religie kunnen noemen. Liefde, blijdschap, hoop, troost; alles komt er in samen.’

Hoe was je zelf als leerling?
‘Ik was kritisch en lastig. Een echte laatbloeier ook. Ik groeide op in een dorpje in Groningen, vlakbij de Waddenzee. Al jong speelde ik trompet en ik wilde naar het conservatorium. Mijn ouders vonden dat maar niets, want daar zou ik mijn brood niet mee kunnen verdienen. Ik zat op scholen waar leraren mij niet begrepen en waar ik vaak werd getriggerd door onrecht. Als een docent een leerling voor schut zette, dan kon ik mijn mond niet houden. Achteraf gezien was ik een goeie geweest voor de leerlingenraad…

Ik werd niet gemotiveerd en regelmatig uit de klas gestuurd. Ik ben zelfs een tijdje geschorst geweest. In de loop der jaren leer je genoeg dingen bij en af, maar die kritische inborst blijft. Ook naar mijzelf, want ik kijk voortdurend in die spiegel. Ik lig soms letterlijk wakker van het piekeren. Tegelijkertijd heeft die instelling mij veel gebracht. Ik denk maar zo: de keuze voor journalistiek is niet uit de lucht komen vallen…

Op de School met den Bijbel zeiden ze dat ik naar de lts moest. Pa en ma hadden ontzag voor het hoofd van de school. Ik kon hoog of laag springen, maar het werd lts autotechniek. Ik vond het verschrikkelijk: je had daar alleen maar jongens en er was nul komma nul uitdaging. Ik deed ook geen mallemoer en heb zelfs een jaar overgedaan. Na mijn examen wilde ik alsnog naar het conservatorium, maar de docent vond mij geknipt voor de mts. Mijn ouders volgden dat advies.

In een laatste poging ben ik zelf naar de Thorbecke Scholengemeenschap gegaan voor een gesprek met de adjunct-directeur. Of ik álsjeblieft naar de havo mocht. Op basis van leerprestaties was dat uitgesloten, maar vanwege mijn ambitie mocht ik in havo 2 of 3 instromen. Mijn ouders hielden echter voet bij stuk. Na een jaar mts ben ik gestopt en gaan werken bij Albert Heijn. Daarna volgde militaire dienst en daar ben ik blijven hangen. Veel later, pas toen ik begin dertig was, heb ik naast mijn werk bij de krant de lerarenopleiding Nederlands gedaan. Een hbo-studie. Ik riep toen op de redactie: ik ga niet voor de klas, maar ik wil nu éindelijk iets leren dat ik leuk vind…’

 

Waarom koos je voor het onderwijs?
‘Ik kon vervroegd stoppen bij de krant, maar wilde niet thuis gaan zitten. Toen de vacature bij Landstede MBO voorbij kwam, werd ik direct enthousiast. Ik heb jarenlang collega’s begeleid op redacties; kennis overdragen past bij mij. Met jonge mensen werken heb ik altijd leuk gevonden. Maar heel eerlijk, ik voelde wel een drempel. Zou ik op mijn leeftijd nog een klik hebben met die gasten? Daar zat een aarzeling. Maar dat is mij honderd procent meegevallen.

Je houding is belangrijk. Cru gezegd: ik stel mij niet op als een oude lul. Ik wil open staan voor de belevingswereld van studenten. En ik ben nieuw in het onderwijs; ze merken dat ik ook nog dingen moet leren. Dat geeft toch een andere relatie. Het mooiste vind ik het coachen. Hoe je het ook wendt of keert; veel jongeren zitten met problemen. Als je hen dan toch verder helpt in de schoolcarrière, dan geeft dat veel voldoening.’

Wat hoop je in dit laatste schooljaar nog te bereiken?
‘De vraag is wat ongemakkelijk, want ik ben nog maar net begonnen… Maar ik heb gelukkig meerdere projecten opgezet waarvan ik hoop dat die blijven doorgaan. Een daarvan is het maken van een krant. De uitgave is full colour, telt twaalf pagina’s en gaat over onze school. De studenten doen alles zelf. Alle journalistieke genres en vaardigheden komen voorbij, dus daar leren ze veel van.

Daarnaast probeer ik het vak creatief schrijven nog een steviger basis te geven, net als het commercieel schrijven. Ik vind het mooi om de praktijk dichtbij te brengen, want sommige onderdelen blijven soms onderbelicht.’

Wat kunnen jonge docenten van jou leren?
‘NIETS. Schrijf dat maar op in kapitalen. Ik ben de opa in ons team, maar op didactisch gebied ben ik zo groen als gras. Ik werk samen met dertigers en veertigers. Juist zij hebben mij veel geleerd. Ik ben voor de klas meer en meer gaan ontspannen. In het begin was ik bang dat studenten niet zouden leren wat ze moesten leren. Maar juist als je dat loslaat gebeuren er mooie dingen.’

Waar had je zelf iets meer tijd in willen steken?
‘O, in zoveel dingen… Even figuurlijk: ik kan nu een aardig muurtje metselen, maar ik heb nauwelijks tijd gehad voor de fundering. In het tweede gesprek zei mijn teamleider: Dick, je hebt je onderwijsbevoegdheid. We geven je een duwtje en je moet zelf zorgen dat je aan de overkant komt… Bij onze opleiding heb je geen vaste methodes; we schrijven het lesprogramma zelf. Daar kon ik mijn ervaring goed bij gebruiken. Ik vind het een fijn idee dat ik een hele lessenreeks op papier heb gezet over creatief schrijven, regiojournalistiek en beroepsethiek. Voor mijn opvolger ligt dus wel het een en ander klaar.’

Wat ga je missen als je straks afscheid hebt genomen?
‘Het ligt enorm voor de hand, maar dat zijn allereerst de studenten. Ik kan echt héél blij worden van hoe sociaal ze zijn. Dat geldt ook voor de collega’s. Ik heb bij de krant met veel mensen fijn samengewerkt. Maar als ik kijk naar het geheel, dan heb ik nog niet eerder in zo’n warm en creatief team gezeten. Wat er ook gebeurt, je bent er voor elkaar en lost het samen op. Een geweldige atmosfeer.’

Welke hobby of passie komt jou als docent goed van pas?
‘Dan kom ik toch uit bij het schrijven. Ik probeer mijn liefde voor taal over te brengen op studenten. Ik vertel hoe belangrijk hun verwondering is. Dat ze alle zintuigen gebruiken om goed waar te nemen. En hoe belangrijk het is om de juiste woorden te vinden. Schrijven is ook schrappen en synoniemen zoeken. Voor creatieve teksten gebruik ik vaak moderne poëzie, want dan leer je hoe je met minder woorden meer kunt zeggen.’

Wat zou je schrijven in een brief aan de minister van onderwijs?
‘Ik heb niet zoveel te klagen of te vragen. Ik zou vooral zeggen: investeer binnen het mbo in leergeluk van studenten en docenten. Probeer het mbo op een voetstuk te plaatsen, want het gaat om fantastisch onderwijs. Steeds veranderende budgetten werken belemmerend binnen het onderwijs. Ik zou veel meer ruimte willen maken voor creativiteit. Op welke manier dan ook.’

Wat vind je prettig aan deze coronaperiode?
‘Helemaal niets. Ik vind online lesgeven intensief. Een half uur online staat voor mij gelijk aan anderhalf uur fysiek. De interactie ontbreekt en beeldschermen vervormen de werkelijkheid. Terwijl ik juist die sfeer in een klas zo geweldig vind. Dan kan je prachtig inspelen op wat iemand zegt of doet.’

Wat is je lijfspreuk?
‘Een tekst die ik al jaren bij mij draag is: leven is liefde, liefde is leven… Ja, zonder liefde kunnen we niet. Het leven is daarop gebouwd. En er zijn heel veel uitingen van. Dat maakt het zo mooi, maar ook kwetsbaar… (lachend) Ik kan al smelten van een vriendelijk woord van de caissière.’