Onderwijsmagazine

Reportage opleiding Autotechniek: Zelfstandig leren werken

 

 

Het is precies half negen als de laatste student binnendruppelt. Capuchon over zijn hoofd. Hij trekt de deur met een klap achter zich dicht. Buiten is het grijs en koud. Binnen – in de warme werkplaats van Landstede Autotechniek – brandt volop licht, klinkt radiomuziek en gaat de koffie rond. Niet verkeerd, voor een schoolomgeving.

De 25 eerstejaars – allemaal rond de 16, 17 – hebben hun overall al aan voor een nieuwe lesdag. Zwarte pakken met hun naam op de borst. Ze klappen de laptop open om de praktijkopdracht te bekijken. Instructeur Teun van Dreven (61) maakt links en rechts een praatje. Tussendoor geeft hij een paar korte, luide aanwijzingen die voor de hele groep bedoeld zijn. Hij heeft de wind er aardig onder. Maar dat moet ook met zo’n stel, legt hij uit. ‘Geloof me, deze jongens willen gewoon duidelijkheid. Dat werkt het beste.’

De praktijkruimte is ingericht als een echte werkplaats, waar zo’n twaalf auto’s staan. Ook een elektrische. Allemaal bedoeld om aan te sleutelen. Op een na; een Formule 4-wagen. Maar daarover straks iets meer. Achterin de werkplaats is een balie waar de jongeren kunnen overleggen met een docent of instructeur. Er zijn er in totaal vier. Onder hen ook docent Tom Swinkels (32). Hij denkt graag mee over de opdrachten. Het is de bedoeling dat studenten zoveel mogelijk zelfstandig aan de slag gaan, maar dat is in deze fase van hun opleiding nog net iets te hoog gegrepen. ‘Wil jij banden doen vandaag? Zou je dan wel willen samenwerken, anders moet ik te veel opdrachten gaan beoordelen. Daar kom ik op deze drukke dag niet aan toe,’ zegt Tom tegen een van de jongens.

Want het is een drukke dag. Niet alleen is er een verslaggever die een reportage komt maken. Ook komen er na elkaar drie kleuterklassen die bezig zijn met een project over beroepen. Zij krijgen een rondleiding en uitleg. Tussendoor moeten Teun en Tom ook nog studenten helpen. Hoe moet dat allemaal? ‘Wij zijn een goed team, dat lukt ons wel’, lacht Teun.

Even later komt de eerste klas al binnen, met de juf en een paar ouders. De afspraak is dat Teun hen opvangt. Hij laat de claxon horen van een grote zwarte auto, die ook nog over zwaailichten en een sirene blijkt te beschikken. Het starten lukt om een of andere reden niet. ‘Daar moet meester Tom maar even naar kijken’, zegt Teun. De kleuters mogen zelf ook achter het stuur. De toeter gaat onophoudelijk. De kinderen vinden het prachtig, maar de studenten denken daar anders over.

 

Wat een herrie maken die gastjes’, zegt Hugo (17) tegen Jochem (17). Beiden staan bij een auto met een geopende motorkap. De accu is leeg, dus het starten wil niet, merkt Jarno (16) – die achter het stuur zit. Ook met een acculader erbij is er weinig leven te bespeuren. Als Tom even later poolshoogte komt nemen, geeft hij een tip: ‘Misschien is de verbinding naar de startmotor los. Probeer eens een paar tikken met de hamer.’ Tom staat al bij een volgend groepje als Hugo na de zoveelste poging de moed opgeeft. ‘Die is hartstikke dood, niets aan te doen.’ Met de werkbon in de hand sloffen ze terug naar hun tafeltje. Een beetje chagrijnig van al die verloren energie.

Ondertussen staat Teun bij de Formule 4-wagen, in de hoek van de werkplaats. De wagen hoort bij een team waarin ook een Landstedestudent zit. Die doet onderhoud en reist heel Europa door voor wedstrijden. Vanwege het open huis is het voertuig tijdelijk tentoongesteld. Maar niet alleen voor de show, zegt Teun. ‘Zo laten we zien wat je allemaal kunt bereiken als je kiest voor deze studie.’

Opvoeden

De kleuters mogen ook even proefzitten in het autostoeltje. Een sterke opa tilt de kinderen er een voor een in. Pal naast die racewagen gaat het lesgeven gewoon door. Drie studenten proberen een band van een velg te krijgen. Het lukt niet meteen, maar Tom schiet te hulp. Even later vertelt hij: ‘Ze lopen ook stage en daar mogen ze vaak kleine beurtjes en banden doen; dat gaat dan heel lekker en het geeft zelfvertrouwen. Daardoor vinden ze onze lessen soms wat minder interessant, maar ik weet gewoon: op school leren ze alles wat je moet weten om basismonteur te zijn. Daarvoor is zo’n stage veel te beperkt. Ze moeten het toch van die combinatie hebben.’

Teun brult iets door de werkplaats over jassen die niet op de juiste plek zijn opgehangen. Zijn boodschap is niet aan dovemansoren gericht; direct komen drie studenten in actie. Hij grijnst: ‘Dat zeg ik: je moet duidelijk zijn. Nu vinden ze mij misschien een dictator.

Maar ben je een half jaar verder, dan weet iedereen wat er nodig is en zijn ze me dankbaar. Laten we eerlijk zijn: het mbo is ook nog gewoon een stukje opvoeden.’ 

Heilig overtuigd

Het is pauze. Hugo, Jarno en Jochem zitten aan hun tafeltje. Ze kennen elkaar al langer; komen alle drie uit Nijkerk. Hugo woont sinds enige tijd bij zijn vader in Ermelo. Die houdt ook van auto’s. ‘Het hele huis ligt vol onderdelen van oldtimers. Ik heb zelf een achterbank op mijn slaapkamer.’ De drie heren zijn nog maar een paar maanden op weg, maar heilig overtuigd van hun studiekeuze. ‘Je moet iets met sleutelen hebben, anders heb je hier niets te zoeken’, zegt Jarno. Jochem start onderwijl een racegame op, op zijn laptop. ‘Ik ben meer van de computers, maar dat komt later in de opleiding. Ik heb ook nog geen werk- of stage-ervaring; als bijbaantje sta ik in een snackbar.’

Hugo werkt al wel bij een garagebedrijf. Niet toevallig ook zijn stagebedrijf. Er is volop werk, merkt hij. ‘Ik weet nog lang niet alles, maar ze vinden het niet erg als ik vragen stel. Ik kan daar in een uur veel meer leren dan hier. Maar dit is school. Dit is anders.’ Jarno zegt: ‘Als automonteur in een bedrijf moet je ook steeds nieuwe dingen blijven leren. Nu ook weer, met die elektrische auto’s. Die techniek verandert elk jaar.’

Bij Hugo begon de liefde voor techniek met sleutelen aan fietsen en brommers. ‘Zelf een beetje prutsen, daar leer je het meeste van’, zegt hij wijs. Hugo wil hierna nog doorleren. ‘Ik ben pas negentien als ik klaar ben. Ik ga echt niet mijn hele leven monteur blijven.’ De drie studenten zijn blij met de opleiding, maar het tempo mag hier en daar wel wat omhoog. Het is lang wachten op instructies, zeker op een dag als vandaag. ‘We weten nog maar heel weinig, dus je moet nog veel vragen. Straks is dat anders,’ zegt Hugo.

Meer workshops

Even verderop staat Django (16) te praten met Teun. Hij laat zijn werkschoenen zien met stalen neuzen. Teun gaat er even op staan en zegt: ‘Keihard. Ja, álles voor de veiligheid.’ Django vertelt dat hij vanaf zijn derde al meeging met zijn vader in de vrachtwagen. ‘Lange tijd wilde ik chauffeur worden, maar nu toch liever monteur. Ik werk ook bij een garage. Daar moest ik laatst een partij grote banden uitladen. We deden er 130 binnen een uur; toen lag alles in de stelling. Of ik die banden optil? Nee, natuurlijk niet… Banden moet je rollen.’

Tom legt uit dat ook de theorielessen zoveel mogelijk in de praktijkruimte plaatsvinden. ‘We gaan toe naar steeds meer workshops, waarbij ze de theorie meteen kunnen toepassen. Je moet materialen en onderdelen gewoon even vasthouden. Dat leer je niet vanaf een plaatje.’

Teun heeft jaren bij Defensie gewerkt; hij was chef werkplaats na zijn onderofficiersopleiding bij de KMS in Weert. Sinds zes jaar is hij instructeur Autotechniek. Hij doet voor een belangrijk deel hetzelfde werk als Tom, maar krijgt er minder voor betaald. Zelf doet hij er niet ingewikkeld over, maar Tom vindt het soms wel wat onterecht. Teun: ‘Voor studenten maakt het niet uit; Tom is meer van de theorie, ik van de praktijk. En ze noemen ons allebei docent.’

Over een paar maanden, als deze eerstejaars iets meer hun weg hebben gevonden, wordt ook meer zelfstandigheid verwacht, legt Teun uit. ‘Het mbo is een behoorlijke stap voor deze jongens; ze zijn jaren aan het handje vastgehouden en nu moeten ze het veel meer zelf doen. Ik kan heel direct zijn en ik zit ze ook achter de broek aan, maar soms ben ik ook heel zacht, omdat ze die aai over de bol nog nodig kunnen hebben. Je begeleidt ze naar die grotemensenwereld.’

Tom is inmiddels drie jaar docent bij deze opleiding en merkt dat een leerlijn soms anders loopt dan het boekje voorschrijft. ‘Als je nu zou meten, dan zeg je: ze lopen hartstikke achter in dat wat ze moeten weten. Maar je merkt dat ze gaandeweg – juist door al die praktijklessen – ook heel veel theorie bijspijkeren. Als ze hier klaar zijn, dan zijn ze startbekwaam, maar het zijn nog geen volwaardige monteurs. We leren ze ook om heel helder te communiceren over wat ze al wel of juist nog niet weten. Die groei in werknemerschap is héél belangrijk.’

Meer motivatie

Jaarlijks komen er 25 nieuwe studenten bij. Dat is best goed, als je het afzet tegen andere techniekopleidingen. ‘Maar gezien de vraag uit het bedrijfsleven zouden we er makkelijk nog tien studenten per leerjaar bij kunnen hebben’, zegt Tom. Om uitval te voorkomen wordt steeds meer gewerkt met een integrale leerlijn, vertelt hij. ‘Op het vmbo maken ze in het derde jaar al een keuze voor een richting, zodat er meer verbinding is tussen vmbo en mbo. Je kiest dus al eerder voor een carrière in de autotechniek en dat geeft ook meer motivatie, merk ik.’

Als de laatste kleuterklas weg is, deelt Teun appelkoeken uit die hij als bedankje van een juf kreeg. Goed tegen de suikerdip. ‘Het was wel even aanpoten, maar super gezellig’, zegt hij tegen Tom. Die is ook hard toe aan de lunch. ‘Zo druk als vanochtend is het niet altijd hoor. Maar dit is wel wat het is; je moet continu beschikbaar zijn.’

Wordt vervolgd